Van de Kaart [The Rum Diary première]

Dit Gonzoverslag berust op louter waargebeurde feiten. Een verre echo galmt in het onderbewustzijn. “ja hij is daar ga maar naar h...

Thursday, February 12, 2015

The narcisistick

Illustratie: Subtracting
De ochtend begint al met een bepaalde spanning. Het is nog veel te vroeg voor zenuwen. Wellicht komt dat door de dagen aan slaaptekort. Maar ergens weet ik eigenlijk al beter. De omgeving ziet wit van de sneeuw en ik heb het koud. Ik drink een tweede kop koffie terwijl ik sta te wachten op een bushalte. Mijn bus vertrekt om 9.23 uit Alkmaar. Ik ben vanaf acht uur onderweg. Wat zeg ik? Al zevenentwintig jaar te lang onderweg. Alkmaar bevalt mij niet. Het is iets te dicht in de buurt van de gemeente Bergen en dat wekt onrust. Bergen is een plek waar ik gezworen heb nooit meer te komen. Het kwaad komt daar vandaan. Alleen al Alkmaar en de verkeersborden die Koedijk aangeven, wekken bepaalde herinneringen op die ik liever vergeet. Ik ga daar momenteel liever niet op in. Het is zo erg dat ik een moment heb overwogen een griep te veinzen om onder mijn afspraak uit te komen. Maar M. zegt dat ik moet gaan en dat ik erover moet praten. Daarnaast had ik vorige week al griep en ben ik wat bij daar eindelijk vanaf te zijn.


Dus nu ben ik toch maar onderweg. Onderweg naar mijn creatieve therapie, zoals ik het noem. Naast mij op het perron staat een meisje. Ik probeer in te schatten of ze dezelfde kant op moet. Afgaande op de manier waarop ze zich slonzig kleed met een grote bril op haar snoet, past ze best in het profiel van iemand doe wel toe is aan creatieve therapie. Alles aan haar voorkomen doet je denken dat ze al in de veertig is. Alsof ze altijd al oud geboren is. Ze komt in ieder geval warrig over. Hoe groot is de kans daarnaast dat ze op dit tijdstip onderweg is naar dit godvergeten oord; gemeente Schoorl? Bij het instappen vraagt ze aan de chauffeur of deze bus 151 ook langs de Frederikslaan gaat. Ik krijg vermoedelijk al meer bevestiging. De buschauffeur weet de haltes van zijn eigen route niet. Vol ongeloof is het aan mij om een geruststellend antwoord te geven op haar vraag. Vervolgens begroet de buschauffeur mij en ik hem. Ook op straat doe je dat hier tegen vreemde. Dat hoort zo. Ik breek mijn hoofd over een dilemma. Even twijfel ik of ik een conversatie aan moet gaan. Ik besluit toch maar alleen te gaan zitten.

Ik tuur liever even in stilte uit het raam. Ik probeer niet aan een vorig leven te denken en hoe verder we van Alkmaar verwijderd raken, hoe meer plaats er wordt gemaakt voor zorgen over de toekomst. Als we bij de halte Frederikslaan uitstappen blijken mijn eerdere aannames het toch mis te hebben. Terwijl ik eerst nog een beetje hulpeloos om me heen kijk spreekt het warrige meisje mij aan:

"Sorry, mag ik wat vragen? Moet jij toevallig ook naar de Valkenlaan?"
"Nee toevallig niet. Ik moet naar de Oorsprongweg voor mijn uhm.. creatieve therapie."
"O… Ik heb hier ergens in de buurt een repetitie. Ik weet het alleen niet zo goed meer en ik vertik het om een Smartphone te kopen."
"O maar dat kan ik wel begrijpen ik. Ik heb het ook zo lang mogelijk proberen uit te stellen. Maar in situaties als deze is het toch wel handig."


Met Google Maps zoek ik de Valkenlaan voor haar op en laat het op mijn telefoonscherm aan haar zien:
"Kijk als je eigenlijk in een rechte lijn die kant op, naar beneden loopt, dan ben je er zo", wijs ik in de zuidelijke richting:
"Dan ga ik die kant op en vraag ik het onderweg nog wel een paar keer. Heel erg bedankt in ieder geval en succes met de therapie!"
"Geen probleem. Succes met repeteren." 


Ik draai me om en kijk niet meer achterom voor het geval ze twijfelend terug komt. Hoewel ik navigatie op mijn telefoon heb, heb ik vanmorgen goed naar de kaart gekeken en drie straatnamen opgeschreven. - Dennelaantje - Molenweg - Heereweg Met mijn ouderwets kompas probeer ik vervolgens zonder vals te spelen in één keer naar mijn eindbestemming te lopen. Ik kijk heel even naar de stand van de zon:
"Het is ochtend. De zon komt op in het oosten. Dus dan moet ik die kant op voor het Noord-Westen", mompel ik zachtjes in mijzelf.

Het is een oud trucje die ik ooit van mijn grootvader heb meegekregen. Hij zei altijd:
"Het is overdag onmogelijk om te verdwalen. De natuur verteld altijd waar je bent. Kijk welke stand de zon heeft op een bepaalde tijd van de dag en blijf dan één windrichting volgen. Zo kom je vroeg of laat wel ergens in de bewoonde wereld uit."

We hebben het over iemand die uit een Duits werkkamp is gevlucht en toen is teruggelopen naar Amsterdam. Dus als een ode probeer ik zijn methode in acht te houden. Zolang ik onderweg die drie straten ter herkenning passeer kom ik er wel. Dat mag ik wel hopen. 2. Ik ben zo niet zeker van mijn zaak, dat ik onderweg alweer loop te stressen. Niet over dat hele gezeur van Bergen, want dat ligt alweer ver achter mij. Nu of ik wel op tijd aan zal komen.

Uiteindelijk is het overbodige stress want ik ben de eerste die arriveert. Ik neem plaats aan de grote tafel en krijg van Juf Storm een kop koffie aangereikt. Ik mag kennis met juf Storm en juf Schilder. Ik krijg een goede eerste indruk. Misschien kunnen ze toch nog iets rechttrekken wat bij mij is scheef gaan lopen. Maar denk niet dat de stress nu voorbij is. De zaal gaat open en het stroomt vol. Al die mensen en al die namen. Daar is op dit moment geen ruimte voor in mijn hoofd. Met zo een vijfentwintig mensen in één ruimte voel ik me opeens heel ongemakkelijk. Van alle verschillende conversaties in de ruimte begin ik te duizelen. Stilletjes staar ik naar inmiddels mijn vierde kop koffie.

Dan heb je broeder Julian. Dat is makkelijk die J koppel ik. Er komt een spervuur van grappen en gevatte opmerkingen uit de broeder. En dat al zo vroeg op de ochtend. Hij is heel vlot. Een wervelwind. Naar hem besluit ik maar te luisteren. Hij komt hier ook vandaan verteld hij enthousiast en met al zijn armgebaren slaat hij de pot met koffie omver. De donkere derrie vloeit over de tafel heen en over de telefoon van het meisje dat naast hem zit. Hij graait deze in een fractie van een seconde van tafel en schiet de keuken in. Weg telefoon. Ik begin broeder Julian in twijfel te trekken. Wie zegt dat hij bij deze creatieve therapie hoort? Wat was dit voor grote zwendel zojuist? Maar hij is in eenzelfde fractie van een seconde ook weer terug en geeft de droge telefoon terug. Met een paar sierlijke zwaaien boent hij de tafel weer droog en klaar is kees.

Na de algemene introductie ga ik met mijn buurman een stukje wandelen in de duinen. Mensen om ons heen zijn al druk begonnen met hun creatieve therapie. Wij niet. Wij zoeken eerst nog even een rustige omgeving op om een verse indruk te kunnen maken. Waar beter dan in het duinlandschap? Broeder Julian is achter ons met twee dames. Ik hoor hem een anekdote vertellen over de duinbrand van een aantal jaren geleden. Als de dames het willen kan hij Mordor laten zien. Op de top van de duin moet mijn buurman even bijkomen. Rokers longen. Dan krijg je dat. Ik raak met hem in een gesprek. Ondertussen volgen we onze nieuwe tourgids richting Mordor.

Ik ben zo bezig met het gesprek dat ik steeds minder op mijn omgeving begin op te letten. Mijn aandacht gaat wel uit naar het meisje voor mij. Ze is om de tien stappen haar laarzen aan het afkloppen tegen een boom. Om vervolgens weer in verse sneeuw te stappen en ze weer van voor af aan kan beginnen. Het is een fascinerende routine. De ander heeft één of andere stok in haar handen.
"Is dat een selfiestick?" vraagt de andere.

Van dat woord begint er uit het niets een plotselinge agressie op te komen. De selfiestick. Het nieuwste dieptepunt uit onze narcistische ik-cultuur heeft nu eindelijk ook mijn directe omgeving bereikt. Had je het dertig jaar geleden aan iemand omschreven, had niemand je geloofd. Vertel je het over vijf jaar van nu, dan kijkt niemand daar meer van op. Andy Warhol’s visie lijkt nog steeds elke dag een stukje dichterbij te komen. Ik verzet mij tegen deze waanzin en sta op het punt een tirade te gaan houden. Maar dan drukt moeder natuur zijn natuurlijke kracht door en ben ik ineens weer bij de les. We zijn al veel te lang aan het lopen. Dit uurtje is zich inmiddels al aan het verdubbelen en de sneeuwstorm is al ingezet. Binnen niet al te lange tijd begint de zon nu toch ook al zo vroeg onder te gaan. Onze tourgids heeft iets te vaak een afslag gemaakt en ik ben mijn oriëntatie kwijt. Broeder Julian komt even twijfelachtig over:
"Hmm…Ik dacht dat we heel ergens anders waren. Ik weet het even niet meer jongens…"

Voor deze keer rechtvaardig ik dan onze moderne gadget als hulpmiddel. Maar geen van ons alle heeft in dit dal bereik. Onze tourguide heeft op dit moment niet meer zoveel praatjes. De paranoïde komt weer op en ik begin hem te wantrouwen. Heeft hij ons bewust erin geluisd? Waarom zegt hij niks meer? De temperatuur daalt aanzienlijk en de sneeuwstorm wordt steeds heftiger. Het ongemak in de groep begint te groeien. We hebben geen idee welke kant we opmoeten. Herkenningspunten zijn ver te zoeken. We klauteren een heuvel op, het gaat moeizaam in de sneeuw maar we komen er. Dan vraagt broeder Julian of hij de selfiestick van het meisje even mag lenen. Hij maakt zijn telefoon vast aan de stick en schuift deze verder uit. Holymoly! hoever kan je dat ding eigenlijk uitschuiven? “Hij pikt een signaal op! Snel zet je navigatie aan en hou hem nog eens omhoog!” Onze tourgids zegt voldoende te weten en stapt zelfverzekerd een richting op. Alle pure wanhoop van net lijkt te zijn geweken. Maar niet voor mij. Mijn ongemak is een bepaalde grens overgestoken. Mijn alarmbellen staat op fel rood! 3. Verdomme mijn leven gered met behulp van een selfiestok. Een Selfiestok!

Ik kan dit feit maar niet verkroppen. Deze ongein heeft mij allemaal wel lang genoeg geduurd. Terug in het kamp graai ik mijn tas weg en storm naar buiten opnieuw het witte landschap in. Op weg terug naar de bushalte. Dat goed oriënteren in je omgeving en zo de weg wel weten gelul kieper ik compleet overboord. Het is welletjes geweest. Ik heb gewoon weer bereik en ga daar godverdomme nu ook gebruik van maken ook! Principes overboord het kan me niets meer schelen. Het spijt mij grootvader, u had het goed mis! Het witte landschap is niet van elkaar te onderscheiden! Al was het licht geweest, alles lijkt hier verdomme op elkaar. Google Maps is nu mijn blinde geleidenhond. De radar van een onderzeeboot. Ik vertrouw het scherm nu blind. Dat google mij nu kan traceren en misbruikt voor weet ik veel wat. Veel plezier ermee Google! Steek die informatie maar in je hol! Dit was puur en alleen nog overleven. Ja ja ja dit was de Dennelaantje! Vaarwel. Auf wiedersehen. Mij zie je hier nooit meer terug!

Bij de Frederikslaan aangekomen schrik ik mij opnieuw een ongeluk: -Deze halte is tijdelijk opgeheven. Excuses voor het ongemak- Dit durf je niet te menen! Ik vloek en tier en wil ergens tegenaan schoppen. Ik zet de strakke pas naar de volgende halte bij de rotonde. In geen miljoen jaar zou ik deze laatste bus gaan missen en vanavond vast blijven zitten in Schoorl. Hier stonden grote dingen op het spel! Geen uur langer in dit oord dan nodig is! Voorbij het tankstation ga ik bijna onderuit. De weg is immers glad. Een voorbijgaande auto toetert naar me. Ik ben in alle staten! Bij de halte kijk ik in mijn portemonnee. Het vakje waar normaal mijn OV-chipkaart zit is leeg. Mijn laatste kleingeld heb ik eerder aan juf Storm overhandigd. Ik word wanhopig. Manisch voel ik in al mijn zakken. Door vanochtend met het helpen zoeken naar die verdomde Valkenlaan heb ik mijn dwangmatige zakindeling niet op orde. Ik zie de bus al aankomen. Dit gaat mij niet gebeuren. Als ik uiteindelijk in mijn binnenzak voel, zit mijn kaart daar los in. Er even ruimte voor een opgelaten zucht.

De bus is te laat. Maar hij is er. Gelukkig! De chauffeur groet mij niet terug. Ik begin het gevoel te krijgen dat de grote magneten van deze planeet gekanteld zijn. Niets is meer wat het lijkt. De bus komt steeds dichter in de buurt van Alkmaar. Zwaartekracht lijkt me naar de grond te drukken. Ik hou vol dat ik het mij allemaal maar inbeeld. Binnen enkele ogenblikken ben ik bij de trein en dan heb ik de strop ontglipt. Maar dat geluk lijkt nog mijlenver van huis. Op het station staat de duivel klaar om te dansen. Wat zijn godverdomme de kansen? Ik verstop me nog dieper in mijn capuchon en hoop dat ik ongezien voorbij kan glippen. Ik schiet in één rechte lijn naar de verste uithoek van het station. Daar verberg ik mij achter een pilaar en zak tot de grond. De straatstenen bevriezen mijn kont. Maar het mag allemaal maar zakken in de stront! Dan word ik op mijn schouder getikt. Ik hoop zo dat ik niet hoef op te kijken. Dat het vanzelf weg zal gaan. Maar er is helaas geen ontkomen meer aan.

Einde Oefening. Einde verhaal…

No comments: